Ik wou dat de kerk...

Ik wou dat de kerk nog een kandelaar was

die het licht van Gods heiligheid droeg.

Ik wou dat de kerk van haar zonden genas

en God om vergiffenis vroeg.

 

Ik wou dat de kerk weer het vuurbaken was

dat ieder de weg wees naar huis.

Ik wou dat de kerk van haar zonden genas

en het licht wierp op Golgotha’s kruis.

 

Ik wou dat de kerk weer de vissersboot was,

die de mensen zou vangen voor God.

Ik wou dat de kerk van haar zonden genas

en deed naar Gods grote gebod.

 

Ik wou dat de kerk de koningsstad was,

heel hoog op de bergen gebouwd.

Ik wou dat de kerk van haar zonden genas

en ’t Woord bracht door God haar betrouwd.

 

Ik wou dat de kerk ’t Licht der wereld nog was,

zo helder en vrolijk en blij…

Ik wou dat de kerk van haar zonden genas.

De kerk…?? Maar de kerk… dat zijn…wij.



E. IJskes-Krooger; uit de bundel: Als glas in de zon